Een kleine fusiegemeente tussen Brakel, Geraardsbergen en Zottegem, waarvan de deelgemeenten eeuwen een sluimerend bestaan kenden en door de geschiedschrijvers stiefmoederlijk behandeld zijn. 

Slechts in encyclopedieën van gemeenten en in het heemkundig tijdschrift van 'Triverius' en ‘Het Land van Aalst’ werd er enige aandacht aan besteed.

In de archieven is nochtans materiaal genoeg voorhanden om enkele historici gedurende enige tijd aan het werk te houden. In dit onderdeel wordt aan de hand van het weinige dat reeds gepubliceerd werd, een beeld geschetst van de historiek van Lierde.

Wanneer en hoe de vier dorpen precies ontstaan zijn, is nog moeilijk te achterhalen. De eerste geschreven bronnen dateren uit de 11de eeuw maar voordien moet er ook al bewoning geweest zijn.
Waren het mensen uit het stenen tijdperk, waren het Kelten, Romeinen of Franken die hier als eersten een thuis vonden? 
Wie zal het zeggen? Archeologisch onderzoek zou licht op de zaak kunnen werpen maar dit is spijtig genoeg nog niet gebeurd. Vandaar dat er beroep wordt gedaan op een andere hulpwetenschap - de toponymie- om iets meer te zeggen over de ouderdom van de dorpen.
Onder de Romeinen behoorde het gewest tot de civitas Nerviorum , eerst in de provincie Gallia Belgica, vanaf de 4de eeuw in de provincie Belgica secunda.
Toen de Franken onze streken veroverden, werd het gebied opgenomen in het Frankische en later in het Merovingische rijk.
Na de verdeling van dat rijk bij de dood van Clovis in 511 werd de streek ingelijfd bij Austrasië.
In het grote rijk van Karel de Grote waren de dorpen een onderdeel van de Pagus Bracbantensis of Brabantgouw, een kleinere administratieve eenheid.
Bij het verdrag van Verdun in 843 werden onze gewesten ondergebracht in het middenrijk van Lotharius dat steeds meer onder de invloed van de Duitse keizers kwam en in 925 aan het Duitse Rijk werd toegevoegd.
Reeds in 870 bleek de Brabangtgouw verdeeld te zijn in vier graafschappen waarbij onze dorpen in het graafschap Biest , het latere graafschap Ename lagen. 
In 1034 kreeg Renier V. Graaf van Henegouwen, het dank zij zijn huwelijk in zijn bezit, maar de graven van Vlaanderen, die er ook aanspraak op maakten , veroverden het in 1048.
Het bleef echter tot het Duitse Rijk behoren, vandaar hun ligging in wat men 'keizerlijk Vlaanderen ' noemt.
Boudewijn V, graaf van Vlaanderen, voerde een nieuwe staatkundige indeling in waarbij de gouwen vervangen werden door kasselrijen.
Onze dorpen maakten voortaan deel uit van de kasselrij 'Land Van Aalst' .
In 1164 werd het gebied definitief ingelijfd bij Kroon-Vlaanderen.
Dit bleef zo tot en met de franse verovering van onze gewesten in 1795.
Na de nieuwe Franse indeling in departementen maakten ze deel uit van het departement van de Schelde (Departement de l'Escaut)
Later vormden ze een onderdeel van de provincie Oost-Vlaanderen.
Binnen de kasselrij 'land Van Aalst' had elk van de vier een eigen statuut. 
Deftinge, Hemelveerdegem, Sint-Maria-lierde en Sint-Martens-Lierde behoorden in de Middeleeuwen tot het bisdom Kamerijk, het aartsdiakonaat Brabant en de dekenij Geraardsbergen. 

Toen in 1559 onder Filips II nieuwe bisdommen opgericht werden, gingen zij deel uitmaken van het aartsbisdom Mechelen.
De aartsdiakonaten werden geleidelijk afgeschaft. Na de napoleonistische hervormingen in 1801 werden de vier parochies ingedeeld bij het bisdom Gent, dekenij Ronse en de kantonale pastorij Nederbrakel. 
Gedurende de periode 1847-1852 werden een aantal parochies afgescheiden van het dekenij Ronse en samengevoegd tot de dekenij Geraardsbergen, Deftinge, Hemelveerdegem, Nederbrakel, Opbrakel, Ophasselt, Parike, Sint-Martens-Lierde, Sint-Maria-Lierde en Steenhuize. In 1909 werd dan de dekenij Nederbrakel opgericht waartoe de vier tot op vandaag behoren.
Deftinge, Hemelveerdegem, Sint-Maria-lierde en Sint-Martens-Lierde behoorden in de Middeleeuwen tot het bisdom Kamerijk, het aartsdiakonaat Brabant en de dekenij Geraardsbergen. 
Toen in 1559 onder Filips II nieuwe bisdommen opgericht werden, gingen zij deel uitmaken van het aartsbisdom Mechelen.
De aartsdiakonaten werden geleidelijk afgeschaft. Na de napoleonistische hervormingen in 1801 werden de vier parochies ingedeeld bij het bisdom Gent, dekenij Ronse en de kantonale pastorij Nederbrakel. 

Gedurende de periode 1847-1852 werden een aantal parochies afgescheiden van het dekenij Ronse en samengevoegd tot de dekenij Geraardsbergen, Deftinge, Hemelveerdegem, Nederbrakel, Opbrakel, Ophasselt, Parike, Sint-Martens-Lierde, Sint-Maria-Lierde en Steenhuize. In 1909 werd dan de dekenij Nederbrakel opgericht waartoe de vier tot op vandaag behoren.

Fusie:

Voor het begin van onze tijdrekening lag de denderstreek, waartoe de vier dorpen behoren, in het land van de Nerviërs.

In 1976 ontstond de fusiegemeente Lierde uit de vroegere deelgemeenten : iedere deelgemeente kende dus ook zijn eigen ontstaan en stukje geschiedenis.


Deftinge
Hemelveerdegem
Sint-Maria-Lierde
Sint-Martens-Lierde